Bijna 1 januari en het is weer zover: met trillende handen en met veel gezucht schrijft de jeugd op school de jaarlijkse nieuwjaarsbrieven. Het opzeggen van een nieuwjaarsbrief is een traditie die bijna uitsluitend nog in Vlaanderen in ere gehouden wordt.
Sinds nieuwjaarsdag in 1582 op 1 januari werd vastgelegd, en de Gregoriaanse kalender werd aanvaard, worden er op die dag nieuwjaarsbrieven voorgelezen. Toen was het nog maar een kleine bevoorrechte elite, die kon lezen en schrijven. Bovendien schreef men in het Latijn en in dichtvorm. Een exemplaar van zo een stijlvolle brief van de Antwerpse drukker Jan Moretus is nog bewaard gebleven.
Op familiebijeenkomsten rond nieuwjaar etaleerden adellijke jongelingen graag hun kennis en vaardigheden bij het voordragen van hun nieuwjaarsbrief. De traditie raakte langzaam ingeburgerd maar de doorbraak in België kwam er na de invoering van de leerplicht in 1914. Vooral in Vlaamse families was en is de nieuwjaarsbrief enorm populair. Frankrijk haakte al af begin 19de eeuw. In Nederland en Italië verdween hij eind jaren 1950. Zelfs in Wallonië worden er geen meer geschreven.
Ik denk aan de krampachtig geschreven nieuwjaarsbrieven die we op een geheim plekje kreukvrij bewaarden tot de dag van de apotheose. Het trauma van de nieuwjaarsdag, de marteling van het voorlezen.
Je stond er hulpeloos, midden in de kamer en met je mooiste kleren aan. Met een haarkrul probeerde je een slagroomvlek van grootmoeders taart op het kraagje van je bloes te verbergen. Tientallen ogen richtten zich op jou, het derde slachtoffer van deze namiddag. (Voorlezen gebeurde in de strikte volgorde van leeftijd.) Een blos op de wangen, zweet in de handen, je benen kriebelden, je hart bonsde in je keel… en dan: Start! Je probeerde de tekst zo snel als mogelijk af te rammelen en zeker niet te struikelen over de moeilijke woorden waar je de betekenis niet zo goed van kende: “aangebroken, voorspoedig, gezondheid, wereldvrede, voornemens, veerkracht, beloften, gezelligheid, hartendief, dankbaarheid, gehumeurd, vreugdevol, verlangens, huiskring, welgemeende wensen”. Met een sneltreinvaart belandde je aan de verlossende woorden: ”uw doopkind, Zaffelare, 1 januari 19xx.”
Oef! Dan volgde het commentaar: “Dat is wel gedaan”, “Schoon geschreven”, “Ge hebt uw best gedaan”, “Zal het wel waar zijn wat ge daar allemaal belooft?”.
Gelukkig kwam er de beloning (je had de portemonnee al in je meters schoot zien liggen); een paar bankbriefjes, een hart van lekkerkoek, een grote zak met chokotoffs.
Hoe we er ook tegenop zagen, we deden het want het moest.
En met elke nieuwjaarsbrief werden we weer een beetje volwassener.











