De muren fluisteren haar naam, zelfs nu het huis geen thuis meer is. De geur van koffie en wijn, de zachte stem, echo’s die nooit vervagen.
Twaalf lentes zonder haar glimlach, twaalf winters zonder haar raad. Toch vind ik haar in zonnestralen, in de wind die zachtjes praat.
Het dorp heeft me allang losgelaten, de wegen leiden steeds verder weg. Maar zij reist mee in al mijn stappen, een schaduw van liefde, nooit verbleekt.
En op deze dag van moeders, fluister ik haar zachtjes toe: Geen plek, geen tijd kan ons scheiden, mama, jij bent altijd thuis.
De straten waar ik leerde lopen, het huis waar liefde zacht ademde – ze zijn nu verre echo’s geworden, maar blijven altijd in mijn gedachten.
Broer en zus bleven dichtbij. Ze groeten de plek die ik verliet. Maar al woon ik 60 kilometer verder, mijn hart kent nog ons vertrouwd gebied.









