Poëzie-intermezzo ‘Mijn Zevende Winter’

Evarist Ganzelever
0 reactie(s)
Mijn zevende winter

© JMDB

Het verscheen in 2005 bij Zuid & Noord in ‘Memoires van een buitenjongen’.

 

De zevende winter

 

Al ruim zeven weken,

Dronken we met ijs beladen lucht,

weigerde het hondenkadaver bovenop de mestput te ontbinden,

Tobie’s bruine ogen bleven naar me bedelen.

 

Ons Engels haantje, vastgevroren voor het kraaien,

Een slapende lente die niet meer kon worden gewekt,

We smolten de winter dan maar in onze mond,

IJskegels werden pas later reuzentepels.

 

De tot glas geslote sloot achteraan het erf,

Even waanden we ons Jezus, schrijdend over het water,

Een geërfde slee kraste onleesbare namen in het spiegelglas,

hield de puiten diep onder ons uit hun modderslaap.

 

Kraaien, ook al eens een kauw, de akkers her en der zwart gestipt,

Hun akelig gekras riep altijd om verse sneeuw.

De laagdampende koeienstal wenkte onze verstijfde uren,

Tussen stro en stront ontdooide de sneeuwman er ons van af.

(Evarist Ganzelever)

 

De poëzieweek loopt dit jaar van donderdag 26 januari tot en met woensdag 1 februari 2017.