Klein dorpje met reuze verhalen

Claudine
1 reactie(s)
Los Arcos Navarra

Een verhaal uit Los Arcos, Navarra, in de Lochristinaar? Geen paniek, Lochristi heeft geen intentie bekendgemaakt om te fusioneren met deze gemeente. Wel is de verbondenheid tussen dit magnifiek Spaans dorp en mijzelf ontzagwekkender dan die éne straat - met moordstrookje - die Lochristi met Wachtebeke verenigt.

Los Arcos is een klein dorp met zonderlinge verhalen en legendes en met bewoners die met fierheid de tradities hooghouden. Een tikkeltje Vlaamse nostalgie in het Spaanse binnenland. José Javier, de voorzitter van de ‘Asociación Amigos del Camino’ vertelt met veel plezier de historie van doña Tiburcia, een eenvoudige vrome weduwe van 47 jaar.

“Het was vastentijd in het jaar 1883 en wat haar bij de kluizenaarskapel op de calvarieberg overkwam is waargebeurd. Mijn grootvader weet het van zijn vader, en hij vertelde het mij meer dan één keer.
Tiburcia ging, zoals hier traditie was, elke dag van de vasten de kruisweg, een paternoster biddend, de steile klim lang. Boven smeekte ze de Heer om haar zielenheil: “Heer, nederig smeek ik U om mijn ziel te redden van het hellevuur en mij op te nemen in uw hemels paradijs”.

Dan stak ze enkele munten in de offerblok. Die gewoonte heeft hier lang standgehouden, ook nog vele jaren ná Franco. Mensen waren zeer gelovig maar ze hadden vooral schrik van de pastoors.
In het dorp liep er al een paar dagen een ketellapper rond die Tiburcia al eens gevolgd had. De morgen dat ze twee vaatjes wijn had kunnen verkopen vóór ze de dagelijkse klim naar de Heer aanvatte, stak ze een extra muntje in de offerblok. Toen hoorde ze een stem: “De Heer spreekt tot u doña Tiburcia! Vandaag nog zult ge bij mij in het paradijs zijn. Breng mij het geld van de wijn want om drie uur deze namiddag, het uur waarop ik aan het kruis stierf, zult gij sterven en bij mij in het eeuwige paradijs zijn. Ge zijt een gelovige vrouw en ge wordt daarvoor beloond. Heb vertrouwen in uw Heer.”

De vrouw, dankbaar, ontroerd en in tranen daalde de calvarieberg af, nam de 14 munten – haar hele bezit, klom opnieuw naar boven en legde het geld aan de ingang van de kapel, zoals de duivelse ketellapper, verstopt achter het altaar, haar met valse stem had gevraagd. Uitzinnig blij over het hemelse lot dat haar wachtte keerde ze terug ze naar het dorp. Gewassen en gekamd, tussen witte geborduurde lakens, met een kandelaar aan weerszijden, een paternoster tussen de geplooide vingers legde de godvruchtige Tiburcia zich stil en met gesloten ogen in bed te wachten op de dood…. Een priester diende haar de laatste sacramenten toe, buren en vrienden hielden een dodenwake. Maar Tiburcia was niet dood, en ook de dag nadien niet. Onbeweeglijk lag ze uren te wachten op haar einde, dat niet kwam!
Uiteindelijk moest ze dan toch weer opstaan, bekennen dat het geld weg was en verklappen wat de Heer haar had beloofd.
Ook al werd de ketellapper enkele dagen later opgepakt, de vrome simpele Tiburcia bleef tot het einde van haar leven geloven dat ze een goddelijke stem had gehoord. De dorpelingen beweerden dat ze verward en geschift was en lachten achter haar rug.”

Vaag doet dit verhaal mij denken aan gebeurtenissen waarover vroeger gepraat werd tussen buren en bij familiebijeenkomsten. Hilarisch en (soms) met leedvermaak verteld, doch diepmenselijk leeft er de ziel van het dorp in.